Arnold van Beers
Arnold van Beers • 7 minuten leestijd

Om tot een goede alarminstallatie te komen zijn er installatievoorschriften voor alarmapparatuur van toepassing. Deze voorschriften helpen bij het ontwerpen en installeren van alarmsystemen die voldoen aan de kwaliteitseisen van de overheid, verzekeraars en brancheorganisaties.

Doordat techniek van alarmapparatuur veranderd zijn ook de installatievoorschriften voor alarmapparatuur aangepast. Hierbij is rekening gehouden met de huidige normen, voorschriften en technische mogelijkheden, zodat alles beter op elkaar aansluit.

De nieuwe installatievoorschriften voor alarmapparatuur kunt u downloaden:

Installatievoorschriften voor alarmapparatuur Versie 3

Voorschriften gelden vanaf 1 december

De voorschriften zijn vanaf 1 december 2020 van kracht. Beveiligingsbedrijven kunnen tot 1 juni 2021 gebruik maken van een overgangsregeling. Bedrijven moeten vanaf die datum de nieuwe voorschriften hanteren om een kwaliteitsdocument (certificaat of opleveringsbewijs) aan klanten af te kunnen geven.

Gedurende de overgangstermijn is het niet toegestaan om delen van versie 2 en 3 te combineren. Er dient wel duidelijk aangegeven te worden op het intakedocument welke versie is toegepast.

Bij het toepassen van versie 3 geldt: Bestaande installaties voldoen aan de op het moment van aanleg geldende voorschriften. Wijzigingen in bestaande installaties moeten voldoen aan de nieuwe voorschriften.

In de installatievoorschriften is aandacht besteed aan de toe te passen componenten. Hierbij wordt in aanvulling op de BORG-E regeling aangegeven aan welke specifieke normen de alarmapparatuur moet voldoen.

De grootste wijzigingen ten opzichte van versie 2 zijn:

Leidingnet en toebehoren (hoofdstuk 3)

  • De toe te passen bekabeling dient overeen te komen met de specificaties welk door de fabrikant van alarmapparatuur wordt aangegeven;
  • Bekabeling dient in leidingen (bijvoorbeeld buis, goot e.d.) te worden aangelegd, bij voorkeur uit zicht;
  • Kabels zijn zodanig doorgevoerd dat de buitenmantels beschermd zijn tegen beschadiging;
  • Kabeldoorvoeren in vloeren moeten zijn beschermd met slagvaste buis;
  • Leidingen in werkplaatsen, magazijn en fabrieken, waar beschadigingen te verwachten zijn en die lager dan 2,80 m boven de vloer zijn aangebracht; uitvoeren in slagvaste buis of kabelwegen;
  • Bekabeling buiten het beveiligd gebied dient op een dermate wijze te worden aangelegd dat de kans op beschadiging en/of sabotage minimaal is. Tevens dient bij een onderbreking/manipulatie een storings- of sabotagemelding te worden gegenereerd;
  • ┬áIndien er kabels van buiten het beveiligd object komen of vanuit een ander naastgelegen object, moet men rekening houden met mogelijke overspanning door o.a. blikseminslag.

Centrale controle- en stuureenheid en alarmtransmissie inrichting (hoofdstuk 4)

  • Indien het modem/router niet geplaatst kan worden in een elektronisch en bouwkundig beveiligde ruimte, dient ook in de lagere risicoklasse altijd alarmtransmissie te worden toegepast via een DP verbinding.

Energievoorziening (hoofdstuk 5)

  • Voor de aansluiting van elektrotechnische voorzieningen voor alarmapparatuur dienen de voorschriften en richtlijnen conform de NEN1010 gevolgd te worden;
  • De noodstroomvoorziening t.b.v. een alarmsysteem met enkel zgn. Grade 3 componenten heeft voldoende capaciteit om alle alarmapparatuur volledig ingeschakeld en functionerend gedurende 60 uren in bedrijf te houden;
  • Bij een alarmsysteem opgebouwd uit Grade 3 componenten geldt: Wanneer het uitvallen van de netspanning binnen twee minuten wordt gemeld aan de Particuliere Alarmcentrale kan de accucapaciteit worden teruggebracht van 60 naar 30 uren;
  • Indien de onderhoudsovereenkomst voorziet in het feit dat een storing in de energievoorziening binnen 12 uur wordt opgelost mag volstaan worden met een accucapaciteit van 12 uur.
  • In de berekening van de accucapaciteit moet alle alarmapparatuur, ook sirene(s), flitslamp en modem worden meegerekend voor de tijdsduur dat zij functioneert. Dit is voor de flitser en sirenes over het algemeen niet meer dan een kwartier.
  • Bij anti-mask detectroren dient een maskeerpoging gesignaleerd te worden, waarna direct een afdekalarm wordt veroorzaakt dat er toe leidt dat de alarminstallatie niet kan worden ingeschakeld. Maskering hoeft derhalve niet te worden doorgemeld naar een PAC.
  • Gecombineerde alarmgevers (akoestisch en optisch) mogen enkel geplaatst worden als aan de optische en akoestische voorwaarden wordt voldaan.

Mochten er naar aanleiding van deze uitleg nog vragen of opmerkingen zijn kunt u contact opnemen met Martijn Oors (mos@cibv.nl) of Arnold van Beers (abs@cibv.nl).

Top