Omgevingswet, Besluit bouwwerken leefomgeving & brandmeld- ontruimingsalarminstallatie
Omgevingswet
De Woningwet is deels opgegaan in de Omgevingswet die op 1 januari 2024 is ingegaan.
De Omgevingswet gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. Deze nieuwe wet voegt oude wetten samen en bevat regels voor wat er buiten te zien, horen en ruiken is. Het bevat de kaders van het recht voor de fysieke leefomgeving.
In 4 algemene maatregelen van bestuur en een ministeriële regeling werkt de wetgever de Omgevingswet uit.
- Omgevingsbesluit
- bevat procedures en alles wat daarbij hoort.
- Besluit kwaliteit leefomgeving
- staan regels voor de overheid.
- Besluit activiteiten leefomgeving
- staan regels voor burgers en bedrijven en bevat algemene regels, meldingsplichten, vergunningplichten, maatwerkmogelijkheden en specifieke zorgplichten.
- Besluit bouwwerken leefomgeving
- staan regels voor burgers en bedrijven die met bouwwerken te maken hebben. Ofwel het bouwen, in stand houden, gebruiken of slopen van bouwwerken met onderwerpen als veiligheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Het Bbl bevat algemene regels, meldingsplichten, vergunningplichten, maatwerkmogelijkheden en specifieke zorgplichten.
- Omgevingsregeling
- staan alle technische details van de andere regelgeving uitgewerkt.
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur onder de Omgevingswet en is te zien als de ‘vervanger’ van het Bouwbesluit 2012. In het Bbl staan de algemene rijksregels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken.
Het Bbl bevat algemene regels. Dit betekent dat de regels gelden voor eenieder die een activiteit verricht of wil gaan verrichten in de fysieke leefomgeving. Per activiteit is in de Omgevingswet en de onderliggende AMvB’s bepaald wanneer er een meldingsplicht of een vergunningplicht geldt.
Het Bbl beschrijft vervolgens welke inhoudelijke regels gelden en of er ruimte is voor maatwerk of gelijkwaardige maatregelen. Dat geldt doorgaans ook voor activiteiten die niet meldings- of vergunning plichtig zijn.
De regels uit het Bbl zijn voor het grootste gedeelte afkomstig uit de Woningwet en het Bouwbesluit 2012. Daarnaast bevat het regels die uit het Besluit energieprestatie gebouwen en het Besluit Omgevingsrecht komen en enkele voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Toepassingsgebied brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan brandveiligheid in gebouwen. De toepassing van een brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie is een belangrijk aspect hiervan.
De noodzaak voor een brandmeldinstallatie hangt af van de risicoklasse van het gebouw. Gebouwen worden ingedeeld op basis van gebruik, hoogte en oppervlakte, en de installatie moet voldoen aan de specifieke eisen voor de desbetreffende klasse.
Verder verwijst het Bbl naar relevante normen, zoals de NEN 2535 en NEN 2575. Het is essentieel dat de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie voldoet aan deze normen.
Eigenaren en gebruikers van gebouwen zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van een goede werking technische voorzieningen en adequaat onderhoud. Daarbij geeft certificatie vertrouwen bij de realisatie en/of onderhoud van brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties.
Specifieke eisen vanuit Besluit bouwwerken leefomgeving
De exacte vereisten kunnen per situatie verschillen, dus het is belangrijk om de specifieke voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving en andere relevante regelgeving te raadplegen bij de toepassing van een brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie.
Specifieke eisen vanuit Besluit bouwwerken leefomgeving zijn vermeld onder de volgende artikelen:
- Algemeen
- 2.6 zorgplicht bouwwerkinstallaties
- Nieuwbouw
- 4.207, 4.212 en 3.128 (aansturing)
- 4.208 (brandmeldinstallatie)
- 4.209 (melding en doormelding)
- 4.210 (inspectiecertificaat brandmeldinstallatie)
- Bijlage 2 (brandmeldinstallatie)
- 4.213 (ontruimingsalarminstallatie)
- 4.214 (inspectiecertificaat ontruimingsalarminstallatie)
- 4.226 (brandweeringang)
- Bestaande bouw
- 3.114, 3.118 en 3.128 (aansturing)
- 3.115 (brandmeldinstallatie)
- 3.116 (melding en doormelding)
- Bijlage 2 (brandmeldinstallatie)
- 3.119 (ontruimingsalarminstallatie)
- 3.129 (brandweeringang)
- Gebruik van bouwwerken
- 6.4 (specifieke zorgplicht brandveilig gebruik van bouwwerken)
- 6.13 (vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel)
- 6.32 (brandmeldinstallatie)
- 6.33 (ontruimingsalarminstallatie)
Artikel 3.115 (brandmeldinstallatie)
1 Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in Bbl bijlage II, als:
a.de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in die bijlage genoemde waarde,
b. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger ligt dan op de in die bijlage genoemde hoogte of
c. die bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een hoogte als hierboven bedoeld.
2 Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met eenzelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.
3 Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, en verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenst, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:
a. de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is,
b. de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert en van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is of
c. het aantal op de enkele vluchtroute aangewezen verblijfsruimten meer dan twee is.
4 Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bedoelde hoogste vloer niet meer dan zes opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.
Artikel 3.116 (melding en doormelding)
1 Een in artikel 3.115 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:
a. naar een zorgcentrale bij zorg op afroep en
b. naar een zusterpost bij 24-uurszorg.
2 Een doormelding als bedoeld in artikel 3.115 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.
Artikel 3.119 (ontruimingsalarminstallatie)
1 Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115, eerste tot en met derde lid, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.
2 Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.
3 In aanvulling op het eerste lid is het ontruimingssignaal van een ontruimingsalarminstallatie permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.
Artikel 3.129 (brandweeringang)
1 Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.
2 In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.
Artikel 4.208 (brandmeldinstallatie)
1 Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in Bbl bijlage II, als:
a. de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw, voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in die bijlage aangegeven waarde,
b. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger ligt dan op de in die bijlage aangegeven hoogte of
c. deze bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een gebruiksoppervlakte of hoogte als bedoeld onder a of b.
2 Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met eenzelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.
3 Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, evenals verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenzen, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:
a. de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is,
b. de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert en van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is of
c. het aantal op de enkele vluchtroute aangewezen verblijfsruimten meer dan twee is.
4 Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bedoelde hoogste vloer niet meer dan zes opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.
Artikel 4.209 (melding en doormelding)
1 Een in artikel 4.208 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:
a. naar een zorgcentrale bij zorg op afroep en
b. naar een zusterpost bij 24-uurszorg.
2 Een doormelding als bedoeld in artikel 4.208 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.
Artikel 4.210 (inspectiecertificaat brandmeldinstallatie)
In de in Bbl bijlage II aangewezen gevallen heeft een in artikel 4.208 voorgeschreven brandmeldinstallatie voor ingebruikname van het bouwwerk een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Artikel 4.213 (ontruimingsalarminstallatie)
1 Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.208 heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.
2 Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.
3 In aanvulling op het eerste lid is het ontruimingssignaal van een ontruimingsalarminstallatie permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.
Artikel 4.214 (inspectiecertificaat ontruimingsalarminstallatie)
Een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in artikel 4.213, eerste lid, die behoort bij een brandmeldinstallatie waarop artikel 4.210 van toepassing is, heeft een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Artikel 4.226 (brandweeringang)
1 Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.
2 In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.
Artikel 6.4 (specifieke zorgplicht: brandveilig gebruik van bouwwerken)
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik een van de volgende situaties kan ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat:
a. brandgevaar wordt veroorzaakt,
b. bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt,
c. de melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd,
d. het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd,
e. het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd en
f. er op een andere manier gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt.
Artikel 6.13 (vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel)
Een zelfsluitend constructieonderdeel als bedoeld in de artikelen 3.123, eerste lid, en 4.218, eerste lid, mag niet in geopende stand zijn vastgezet tenzij het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand automatisch wordt losgelaten.
Artikel 6.32 (brandmeldinstallatie)
1 In de in Bbl bijlage II bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.115 voorgeschreven brandmeldinstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
2 Een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.
3 Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding is verplicht, is de geldigheidsduur een jaar.
Artikel 6.33 (ontruimingsalarminstallatie)
1 In de in Bbl bijlage II bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.119 voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
2 Een krachtens de wet voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.
3 Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding is verplicht, is de geldigheidsduur een jaar.
Mochten er naar aanleiding van dit nieuwsbericht nog vragen of opmerkingen zijn kunt u contact opnemen met Arnold van Beers (abs@cibv.nl) of Christiaan van de Geer (cvdg@cibv.nl).
Deze tekst is met zorg samengesteld maar kunnen verder geen rechten aan worden ontleend.